“Vergeef ons onze schulden etc..” terwijl deze stichtelijke woorden door de kapel schallen dwalen mijn gedachten constant af naar de meest zondige dingen die ik maar kan bedenken.
Ik zit op schoot bij die ene knappe donkere, hij heeft zijn habijt een beetje opzij geschoven, ik mijn panty onder mijn rokje naar beneden geschoven en in de wierookdamp bedrijven we, onder toeziend oog van Maria met de kleine Jezus op schoot, daar op de kerkbank de liefde.
Of in het biechthokje vertel ik hem dat ik een heel zondig meisje ben. Hij luistert vol belangstelling.
’s Avonds ga ik een verdieping lager dan waar wij slapen op bezoek in zijn cel. Zonder praten schuif ik bij hem onder zijn dekens. Na jaren onthouding bied ik zijn hunkerende lichaam troost. Vlak voor de eerste dienst ’s ochtends sluip ik terug naar mijn cel.
Ik denk eerlijk gezegd niet dat ik in de hemel kom…
Was vorige week dus te gast bij de monniken. Ik heb een weekend lang van afstand, in de kapel, en van dichtbij, aan tafel, eens bekeken hoe mannen in een mannengemeenschap, zich gedragen.
Ik kan aan mijn observaties geen algemene conclusies verbinden want ondanks hun uniforme kleding zijn de verschillen in karakter, leeftijd en gedrag heel zichtbaar tussen de monniken.
Het gezegde: “Gelijke monniken, gelijke kappen” gaat dus niet op.
Zeven keer per dag komen ze samen in de kapel om vespers te zingen, te bidden en te luisteren naar elkaar. De jonge mannen lopen vlot de kapel in en kijken vriendelijk om zich heen. Ze zien je zitten. Knikken soms en glimlachen als je terugkijkt. Een naar buiten gerichte houding. Soms blijft de blik iets te lang hangen. Dat voelt ongemakkelijk. Misschien was het niet bedoeling dat ik hen aankeek.
De wat oudere monniken, zeg tussen 50 en 70 jaar, schreden de kapel in, dat ging net iets langzamer dan bij de jonkies en met hun naar binnen gekeerde blik was oogcontact meestal niet echt mogelijk.
Vol vertedering aanschouwde ik tot slot de gang van de bejaarde en hoogbejaarde monniken. Rollators werden, na de tocht door de lange gangen, bij de ingang van de kapel geparkeerd en de weg naar de voorste kerkbanken werd met een stok vervolgd. Als ze eindelijk zaten hoefden ze, in tegenstelling tot de andere monniken en wij, toeschouwers, niet meer op te staan. Er heerste duidelijk een of ander verkoudheidsvirus want de roodbonte boerenzakdoeken werden regelmatig tevoorschijn getoverd ergens onder het habijt vandaan om vervolgens dwars door een vesper heen luidruchtig de neus te ledigen.
Dat opstaan en weer gaan zitten was trouwens echt een dingetje ter plaatse. Ik schat zo’n tien keer per sessie(en dat dan x7 op een dag). Goede vorm van gymnastiek, wel begrijpelijk dat je er als hoogbejaarde niet aan mee hoeft te doen. Ik vond het trouwens een fijne afwisseling met het zitten op de houten, harde banken.
Na de middagdienst mochten we meelopen door de gangen naar de refter van de monniken om aan hun tafels mee te eten. In stilte. Nou ja, dat wil zeggen; er werd alleen functioneel gefluisterd zo nu en dan. “Kun je de jus even doorgeven?” of “Glas water?”. Verder wordt er in principe niet gesproken in het klooster.
Maar de eerste dag werden we wel tijdens het eten getrakteerd op een pikant Boeddhistisch verhaal, waarbij de abt het niet naliet om een passage, die blijkbaar een slagje te ver ging, gewoon over te slaan. Hij herstelde zich snel na dit duidelijk ongeplande ongemakkelijke moment.
De tweede dag, zondag, werd er een gezellig klassiek muziekje opgezet. Ik zat naast de abt, dat vond ik wel wat spannend, waar zou zo’n man nou opletten vroeg ik me steeds af? Ik keek uit op de hoogbejaarde tafel, ze zaten met zijn viertjes naast elkaar, de servet als slabbetje om zodat hun habijt niet bevuild werd. Ontroerend te zien dat ze echt aanvielen op het eten. Zonder gene. Zo nu en dan een steelse blik naar onze tafel of misschien wel gewoon naar ons vrouwen.
Ik heb er erg van genoten om in deze fascinerende omgeving te gast te zijn . En ik kan ook zeker de voordelen zien van een sober, prikkelarm leven.
Maar 1 ding heeft me het hele weekend bezig gehouden. Hoe houden deze mannen het in godsnaam vol om celibatair te leven?